Eindelijk duidelijkheid

Binnen vijf jaar na inwerkingtreding (1 januari 2014) wordt de Warmtewet alweer herzien. Waarschijnlijk treedt de herziening in 2019 in werking.

Veruit de belangrijkste wijziging voor verhuurders is dat zij uitgezonderd worden voor de belangrijkste verplichtingen. Als verhuurder wordt gedefinieerd: een eigenaar van een voor verhuur bestemde woonruimte of bedrijfsruimte in Nederland.

Voor verhuurders betekent dit in de praktijk dat na herziening van de Warmtewet op levering van warmte aan (nieuwe) huurders weer enkel het huurrechtelijke regime van de servicekosten van toepassing zal zijn. De situatie was heel ingewikkeld: De levering van warmte door verhuurders aan huurders werd naar huidig recht door twee wettelijke regimes geregeerd: de Warmtewet en de huurrechtelijke servicekostenregelgeving. Deze regelingen zijn op een aantal wezenlijke onderdelen tegenstrijdig (uitlegbaar), bijvoorbeeld ten aanzien van het doorrekenen van kosten van onderhoud. Dat heeft dan ook geleid tot zeer uiteenlopende uitspraken van kantonrechters.

Na herziening van de Warmtewet zal dus nog slechts één wettelijk regime van toepassing zijn op de levering van warmte aan huurders: de servicekostenregelgeving. Uit de toelichting op het wetsvoorstel volgt dat de Warmtewet door verhuurders nog wel aanvullend van toepassing kan worden verklaard op warmtelevering aan hun huurders. Echter, dat moet een verhuurder niet willen, aangezien de Warmtewet voor leveranciers álleen maar verplichtingen met zich brengt.

De voorgenomen herziening van de Warmtewet heeft grote gevolgen voor verhuurders: zij zullen nagenoeg niet meer onder de Warmtewet vallen (op een aantal punten nog wel). De afrekening van de geleverde warmte zal in ieder geval weer (alleen) onder het huurrechtelijke regime van de servicekostenregelgeving kunnen plaatsvinden.

Belangrijk punt van aandacht

Huurders met wie sinds invoering van de Warmtewet een leveringsovereenkomst is aangegaan, zullen zich op de Warmtewet willen blijven beroepen. Verhuurders zullen die leveringsovereenkomst juist willen beëindigen. Voor verhuurders is het meest wenselijk om na de herziening één lijn te trekken en de Warmtewet niet meer van toepassing te laten zijn op de warmtelevering aan al hun huurders. Als dat niet met wederzijds goedvinden kan worden bereikt, zullen verhuurders, indien mogelijk, de lopende leveringsovereenkomsten dienen op te zeggen.

Het doorbelasten van de kosten van onderhoud en afschrijving van de collectieve warmte-installatie in de warmteafrekening blijft een heet hangijzer. Op basis van de Warmtewet is dit toegestaan, maar de huurcommissie staat dit (vooralsnog) niet toe op basis van haar interpretatie van de servicekostenregelgeving.

Verhuurders blijven op bepaalde punten overigens wel te maken houden met de Warmtewet.