Een pandrecht geeft u als ondernemer grip op wat u uitleent. Maar dan moet dat pandrecht wél goed zijn vastgelegd. In de praktijk gaat dat vaak mis, met grote gevolgen. Zeker bij interne financiering – bijvoorbeeld van holding naar werkmaatschappij – is het cruciaal om het pandrecht juridisch en praktisch goed te regelen. In dit artikel leest u waar het vaak spaak loopt, en hoe het wel moet.
Dit artikel is het tweede in een serie over het pandrecht. In het eerste artikel leest u onder meer wat een pandrecht is en wat veelvoorkomende valkuilen zijn: ‘Pandrecht voor ondernemers: zekerheden waar u wél grip op heeft’.
Hoe vestigt u een pandrecht?
Voor het vestigen van een pandrecht is een pandakte nodig. In de meeste gevallen mag dat een onderhandse akte zijn. U hoeft dan niet naar de notaris. Maar let op: u moet de akte in dat geval wél registreren bij de Belastingdienst. Zonder deze registratie is het pandrecht niet geldig tegenover derden, zoals andere schuldeisers of een curator.
Pandrecht op roerende zaken
Als u als financier een pandrecht wilt vestigen op roerende zaken zoals voorraad, machines of voertuigen, dan zijn er twee opties:
- Vuistpand: de pandgever geeft het goed fysiek aan u af.
- Bezitloos pandrecht: de pandgever houdt het goed zelf, maar u vestigt het pandrecht via een notariële akte of een akte en registratie bij de Belastingdienst.
In de praktijk wordt vrijwel altijd voor het bezitloos pandrecht gekozen, omdat de onderneming (de pandgever) de goederen nodig heeft voor de bedrijfsvoering.
Pandrecht op vorderingen
Ook vorderingen op klanten (debiteuren) kunnen worden verpand. U heeft dan de keuze tussen een:
- Stil pandrecht: de debiteur weet niets van het pandrecht. U laat een notariële akte opmaken of registreert een onderhandse akte bij de Belastingdienst.
- Openbaar pandrecht: u maakt een onderhandse akte op en informeert de debiteur schriftelijk over het pandrecht.
In de praktijk is het stil pandrecht gebruikelijker, omdat het de bedrijfsvoering en de relatie met klanten niet verstoort. U heeft hierbij de keuze tussen een registratie of een notariële akte – beide routes leiden tot een geldig pandrecht.
Het gevaar van een te specifiek omschreven geldvordering
Een pandrecht dekt de geldvordering waarvoor het is gevestigd. Als die vordering te specifiek is omschreven, loopt u alsnog risico. Zeker bij concernfinanciering (bijvoorbeeld tussen holding en werkmaatschappij) is een meer algemene omschrijving essentieel.
Bedenk dus van tevoren of u het pandrecht alleen wilt vestigen voor een bepaalde vordering, zoals een lening of een rekening-courant vordering of een bepaalde factuur of beter, gebruik een algemene omschrijving, een zogenoemde ‘catch all bepaling’. In een catch all bepaling omschrijft u in algemene bewoordingen dat het pandrecht geldt voor ‘alle huidige en toekomstige vorderingen op de pandgever’. Dat voorkomt dat u voor elke nieuwe lening of factuur een aparte omschrijving moet opnemen.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad hoeft een pandakte niet tot in detail te vermelden welke vorderingen worden verpand. Zolang achteraf objectief bepaalbaar is om welke vorderingen het gaat, voldoet de omschrijving. Zorg dus voor duidelijke afspraken op papier, maar vermijd omschrijvingen die zó beperkt zijn dat u nieuwe vorderingen uitsluit.
Hoe voorkomt u dat nieuwe vorderingen of nieuwe voorraad ongedekt blijven?
Een pandrecht geldt alleen voor de goederen of vorderingen die op het moment van vestiging in de pandakte zijn genoemd. Veel pandhouders denken ten onrechte dat een eenmalige akte voldoende is voor toekomstige voorraad of debiteuren. Dat is niet zo.
Wilt u zeker weten dat ook nieuw aangekochte goederen of latere vorderingen zijn gedekt? Werk dan met een:
- Verzamelpandakte: een algemene akte waarin u vastlegt dat u periodiek aanvullende lijsten zult opstellen.
- Vervolgpandakte: een aparte akte (meestal met lijst) waarin u specifiek aangeeft welke nieuwe zaken worden verpand.
Let op: bij een onderhandse akte moeten deze vervolgpandakten telkens opnieuw geregistreerd worden bij de Belastingdienst. Doet u dat niet, dan geldt het pandrecht niet tegenover derden. Daardoor kunnen een curator of de fiscus alsnog voorrang krijgen.
Conclusie
Een pandrecht biedt krachtige zekerheid, maar alleen als u het correct vastlegt én bijhoudt. Pandhouders vergeten vaak de registratie, of nemen nieuwe goederen of vorderingen niet op. Juist in een crisissituatie maakt een goed vastgelegd pandrecht het verschil.
Heeft u vragen over het opstellen of beoordelen van een pandakte? Neem dan contact op met Martijn Helmstrijd, via m.helmstrijd@oprecht.nl of 0229-285070. We kijken graag met u mee.